Polikliniek

In maart vorig jaar had ik in het ziekenhuis een afspraak met de oogarts. En natuurlijk werd, toen de coronavirus de kop op stak, die afspraak afgezegd. “U krijgt opnieuw een oproep”.

Een halfjaar later, toch maar eens gebeld en ja, ik kon een afspraak maken. Zo kon ik precies tussen de eerste en tweede coronagolf terecht. Inmiddels zitten we alweer middenin de derde golf, maar ook toen al, wat een verandering.

“U moet wel alleen komen”, luidde de boodschap. Dat kan niet, ik ben rolstoel afhankelijk, er moet iemand mee. Ze maakten een uitzondering. Dus mijn dochter en ik gingen, op de afgesproken tijd, samen naar het ziekenhuis. Mondkapjes op natuurlijk.

In de hal gekomen, kwam de leegheid ons tegemoet. Normaal is het altijd een komen en gaan van mensen. Een groot bedrijf in volle actie, maar nu? Eén hokje, middenin die bijna lege hal en daar moesten we ons melden en een ingevuld formulier laten zien. Daarna mochten we door.

Een leeg restaurant gaapte ons vervolgens aan. Niks van de drukte van voorheen. Waar wij bij vorige bezoeken er graag een soort uitje van maakten, door bij de koffie een taartje of iets te nemen. Nu helemaal niets! Op anderhalve meter van elkaar, stonden een paar stoelen en zat her en der iemand te wachten op een oproep vanuit het priklab. Verder leeg. Lege gangen, lege wachtkamers. Op stoelen hier en daar kartonnen mensfiguren. Om te zeggen: “Houdt afstand, deze stoel is bezet”. Bij de oogpoli hetzelfde verhaal. We zagen maar één of twee wachtende patiënten. Het was stil!

We werden verwezen naar kamer zeven. En daar zaten we samen, in de verder lege gang te wachten op de optometrist. Een bordpapieren pop zat tussen ons in. Ik kon al snel de onderzoekskamer in. Daarna door naar een volgende kamer. Het geheel verliep vlot. Toen de laatste kamer, wachten op de oogarts zelf. Deze dokter had veel tijd nodig en ik was op het laatst erg gespannen.

Wat is er aan de hand? Is er iets helemaal mis? Een broer van me had hetzelfde probleem met zijn ogen en werd uiteindelijk helemaal blind. Daar ben ik bang voor. Maar als we naar binnen mogen, zegt de dokter: “Ik ben zeer tevreden, het gaat goed, u mag een jaar wegblijven”.

En ik? Ik kan die dokter wel om de hals vliegen, zo blij! Mijn dochter rijdt me door de lange gangen het ziekenhuis uit. Dat die gangen nog steeds verlaten zijn? Ik zie het niet. Het liefst was ik die lange, lege gang springend en huppelend uit gedanst.

Betty de Wit
Betty de WIt