Vindersloon

Een paar weken geleden kwam er op televisie een merkwaardig verhaal voorbij. Een aannemer in Leeuwarden meen ik, was een woning aan het renoveren. Toen er een groot pak oude kranten uit het plafond viel. Deze kranten bleken uit de tijd van de Tweede Wereldoorlog te zijn. Er kwamen een paar revolvers uit tevoorschijn, spullen voor onderhoud van die revolvers, kogels enzovoort. Waarschijnlijk van mensen uit het toenmalig verzet daar verborgen en totaal vergeten.

Dit verhaal trof mij bijzonder, omdat wij mijn man en ik iets soortgelijks in de jaren zestig hebben meegemaakt. Op zaterdagmorgen was mijn man in huis aan het klussen en op een gegeven moment kwam hij met een in kranten gewikkeld pakket de kamer in. Wat ik nu toch heb gevonden! De kranten opengevouwen en wel vijf tinnen voorwerpen lagen op tafel. Een asbak, twee kandelaars, een vaas en een schaal, alles van tin. Echt prachtige dingen! Die spullen waren daar in de oorlogsjaren waarschijnlijk verstopt, omdat je koper en tin en zelfs radio’s van de Duitsers moest inleveren. Vol vreugde ging ik ze poetsen en gaf ze een plaatsje in onze woonkamer.

Nu stonden die tinnen voorwerpen onze kamer op te fleuren. Een jaar of zes heb ik ze met zorg gepoetst en ervan genoten. Tot we een keer een klok gingen kopen. Een mooie wandklok. De klokkenmaker zou persoonlijk komen om de klok op te hangen want, zo sprak hij: dat is een secuur werkje. ’s Avonds kwam hij langs, een aardige man en hij bleef een poosje praten. Op laatst zei hij: ik voel me hier zo thuis en schurkte zich behaaglijk op de bank heen en weer. Want, zo vertelde hij: mijn vrouw en ik hebben met onze negen kinderen hier gewoond. En vooral de oorlogsjaren blijven je toch extra bij. Groot was onze verbazing! Hebt u hier gewoond? In de oorlog? Dan moet u hier eens naar kijken, deze tinnen schatten zijn dan misschien van u? Mijn man heeft ze een jaar of zes geleden gevonden op de vliering van de bijkeuken.

Wat was die man blij en opgewonden! Och, we waren ze helemaal vergeten en daar zijn ze weer! Opgetogen stapte hij even later op z’n fiets. Ik stond hem na te kijken, wat was hij blij en ook zijn vrouw zou niet weten wat ze zag! Toen ik de kamer weer binnenkwam, keek ik wat ongemakkelijk in mijn toch wel wat berooide kamer om me heen. Maar eerlijk is eerlijk, die spullen waren van hem.

Waar ik nu zo’n last van heb? Nooit hebben we er nog iets over gehoord. Nog geen telefoontje, van bijvoorbeeld de vrouw, om te vertellen hoe blij ze na bijna twintig jaar met haar weergevonden schatten was. Laat staan een bosje bloemen. Wat toch zeker ons vindersloon mocht zijn geweest. Ik ben er na al die jaren nog sneu van. En de klok… hij tikte voort.

Betty de Wit
Betty de Wit